direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bestemmingsplan Wijckel - Lytse Jerden 2
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Lytse Jerden 2 te Wijkcel is het melkgeitenhouderijbedrijf van Maatschap Veldman (hierna: ondernemers) gevestigd. Op het bedrijf hebben zich de afgelopen jaren diverse ontwikkelingen voorgedaan. De voormalige ligboxenstal voor melkkoeien is gesloopt en vervangen door een serrestal voor de melkgeiten.

Deze ontwikkeling tot een professioneel geitenhouderij bedrijf is nog steeds gaande getuige de plannen voor het realiseren van een nieuwe jongveestal. De nieuwe stal is nodig omdat In de huidige situatie het jongvee nog wordt ondergebracht in een omgebouwde mestsilo en een verouderde berging naast de serrestal. Verder bestaat de wens voor het realiseren van een nieuwe berging en kuilplaat op het perceel.

De gemeente heeft op 30 juni 2016 te kennen gegeven positief te staan tegenover het realiseren van de jongveestal en berging. Onder voorwaarden wenst de gemeente medewerking te verlenen. Met dit bestemmingsplan wordt tegemoet gekomen aan de voorwaarden die gesteld zijn door de gemeente en wordt er voor de ondernemers mogelijkheden geboden om toekomstige bedrijfsgebouwen te realiseren. Het principebesluit is toegevoegd als bijlage 6.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt in het landelijk gebied van gemeente de Fryske Marren aan de boorden van het Slotermeer. De begrenzing van het plangebied is afgestemd op de gewenste uitbreiding. De globale ligging van het plangebied is gevisualiseerd op onderstaande afbeelding. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de bijbehorende verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01_0001.png"

Afbeelding: Luchtfoto bedrijfslocatie. (Bron: BingMaps)

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Voor de locatie is de 'Beheersverordening Buitengebied Zuid West 2017' van toepassing. Op de onderstaande afbeelding is een fragment van de plankaart te zien met het agrarisch bouwperceel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01_0002.png"

Afbeelding: Uitsnede verbeelding

De gewenste jongveestal is geprojecteerd buiten het huidige bouwvlak van 0,9 hectare. Het bouwen buiten het bouwvlak is niet in overeenstemming is met het vigerend planologisch regime. Tevens is het bouwen van een serrestal ook niet mogelijk op basis van de huidige beheersverordening. Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld om de bouw van de jongveestal (serrestal), kuilplaat en overige toekomstige ontwikkelingen te kunnen faciliteren.

1.4 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een weergave van de huidige en de toekomstige situatie weergegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente beschreven. In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue. Het laatste hoofdstuk gaat in op maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Zoals gezegd is er in de bestaande situatie een serrestal aanwezig waarin de volwassen geiten worden gehouden. Verder is er op het perceel een bedrijfswoning aanwezig en een mestplaat waar de vaste mest wordt opgeslagen. In de voormalige mestsilo en berging wordt het jongvee gehouden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01_0003.png"

2.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie wordt een de bouw van een nieuwe stal voor het jongvee beoogd. De huidige huisvesting voor het jongvee is zeer minimaal ingericht. Dit is zowel voor de gezondheid van de dieren als de ondernemers verre van ideaal. Om tot een optimale inrichting van het erf te komen wordt er ook nagedacht over een te plaatsen mestplaat en nieuwe berging. De huidige berging en voormalige mestsilo doen immers dienst als huisvesting ten behoeven van het jongvee. Beide onderkomens voor het jongvee zullen worden gesloopt en plaatsmaken voor de nieuwe jongveestal. Gelet op de huidige staat van deze bouwwerken en de ligging van de mestsilo direct aan de weg, is de sloop hiervan een verbetering voor de ruimtelijke kwaliteit van het geheel. De toekomstige jongveestal sluit qua bebouwingsbeeld aan bij de bestaande serrestal. Verder zal het perceel landschappelijk worden ingepast zodat de ruimtelijke impact van de nieuwe te bouwen jongveestal minimaal zal zijn.

In het voorste deel van de jongveestal zal het jongste jongvee categorie C3.100 (opfokgeiten t/m 60 dagen) worden gehuisvest. Dit deel van de stal zal mechanisch worden geventileerd om een optimaal klimaat voor de jonge dieren te creëren. Naarmate de dieren ouder worden zullen ze naar het tweede gedeelte van de stal gaan. Dit deel is natuurlijk geventileerd en is ingericht voor de categorie C 2.100 (opfokgeiten van 61 dagen t/m een jaar). Voor de gewenste veebezetting is een Wnb vergunning verleend voor onbepaalde tijd. De totale gewenste situatie van dit bestemmingplan komt overeen met de Nb-wet vergunde situatie en heeft de volgende omvang:

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01_0004.png"

Tabel: Vergunde aantallen onder de Wet natuurbescherming en tevens gewenste omvang.

Naast de jongveestal willen de ondernemers een nieuwe kuilplaat en berging realiseren. Deze is nodig omdat de bestaande kuilplaat door het groeiend aantal dieren te klein is geworden. De uitbreiding van de serrestal behoort ook tot de toekomst wensen van de ondernemers. Met deze uitbreiding is in dit bestemmingsplan rekening gehouden in de toets van de omgevingsaspecten. Onderstaande afbeelding biedt een doorkijk naar de gewenste situatie op het perceel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01_0005.png"

Afbeelding: toekomstige erfinrichting met oppervlakte van circa 1,27ha.

Hoofdstuk 3 Beleidskaders

Dit hoofdstuk behandelt het beleid dat betrekking heeft op de afwijking van de beheersverordening. Achtereenvolgens wordt ingegaan op het Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, welke een relatie hebben met het plangebied en het onderliggende initiatief.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak welke ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het van kracht zijnde ruimtelijk en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. Door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden, zoals de economische crisis, klimaatverandering en de door het tegelijkertijd plaatsvinden van groei, stagnatie en krimp toenemende regionale verschillen, zijn de beleidsnota's op het gebied van zowel ruimte als mobiliteit gedateerd. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is zo de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. De SVIR is vastgesteld op 13 maart 2012.

De SVIR vervangt verschillende bestaande nota's zoals:

  • de Nota Ruimte;
  • de Structuurvisie Randstad 2040;
  • de Nota Mobiliteit;
  • de MobiliteitsAanpak;
  • de structuurvisie voor de Snelwegomgeving;
  • de agenda Landschap;
  • de agenda Vitaal Platteland;
  • Pieken in de Delta.


In SVIR staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. En op welke manier de bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening. Het Rijk brengt ruimtelijke ordening dicht bij burgers en bedrijven. Gekozen is voor een selectief beleid. Het Rijk zet in op 14 nationale belangen. Daarvoor is het Rijk verantwoordelijk. Daarbuiten hebben decentrale overheden ruimte voor het faciliteren van ruimtelijke ontwikkelingen.

De planontwikkeling binnen het plangebied is te gering om invloed te kunnen hebben op nationale belangen.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)

De hiervoor behandelde structuurvisie is een beleidsstuk zonder bindend karakter voor lagere overheden. Om naleving van deze en andere structuurvisies te kunnen afdwingen, is besloten tot de vaststelling van algemene regels. Deze zijn opgenomen in het " Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (Barro). Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden.
Een deel van het Barro wordt gevormd door de overname van oude planologische kernbeslissingen en beleidsnota's. Deze waren beiden in principe niet bindend, tenzij het onderdelen betrof die door het Rijk werden aangemerkt als "concrete beleidsbeslissing". Deze concrete beleidsbeslissingen bleven van kracht tot de inwerkingtreding van het Barro eind 2012. Bij de continuering van oude planologische kernbeslissingen en beleidsnota's gaat het om:


Project Mainportontwikkeling Rotterdam;

  • Kustfundament;
  • Grote rivieren;
  • Waddenzee en waddengebied;
  • Defensie, en
  • Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.


Op 1 oktober 2012 is een 1e aanvulling op het Barro in werking getreden. Het Barro is met deze aanvulling uitgebreid met de volgende negen onderwerpen:

  • Rijksvaarwegen;
  • Hoofdwegen en landelijke spoorwegen;
  • Elektriciteitsvoorziening;
  • Ecologische hoofdstructuur;
  • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
  • IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
  • Veiligheid rond rijksvaarwegen;
  • Verstedelijking in het IJsselmeer;
  • Toekomstige rivierverruiming van de Maastakken.

In het Barro zijn geen regels opgenomen die van belang zijn voor het onderhavige plangebied. Het plan is van dien aard dat Nationale belangen zoals gedefinieerd in het Barro niet worden geschaad.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Streekplan

Het Streekplan streeft naar behoud en versterking van de leefbaarheid en de vitaliteit van het platteland, vooral ten behoeve van de inwoners van het platteland zelf. Deze doelstelling komt tot uitdrukking in:

  • het bevorderen van een evenwichtige bevolking- en huishoudensamenstelling op het platteland door ruimte te bieden voor de opvang van de plaatselijke woningbehoefte;
  • het vasthouden van de plaatselijke werkgelegenheid door ruimte te bieden voor de ontwikkeling van lokale en regionale bedrijvigheid;
  • het verbeteren van de ruimtelijke (kern)kwaliteiten van het platteland;
  • het verbeteren van de bereikbaarheid van voorzieningen door het draagvlak voor bovenlokale en regionale voorzieningen in de regionale centra te behouden en te versterken en in te zetten op bereikbaarheid van deze voorzieningen vanuit de kleine kernen;
  • het vergemakkelijken van de combinatie van arbeid en zorgtaken op het platteland.

Het landelijk gebied is primair bestemd voor functies die een ruimtelijk-functionele relatie met het landelijk gebied hebben. Het gaat daarbij vooral om de functies landbouw, recreatie, natuur en waterberging en bestaande woon- en werkfuncties en voorzieningen.

3.2.2 Provinciale Verordening Romte Fryslân

De provincie Fryslân heeft de provinciale ruimtelijke verordening 'Romte Fryslân' geconsolideerd vastgesteld op 4 maart 2015 (hierna verordening). In de verordening worden die onderwerpen uit het Streekplan geregeld, waarvan de juridische doorwerking en borging in ruimtelijke plannen van gemeenten noodzakelijk is. Het onderhavige initiatief betreft een ruimtelijk plan. Dit betekent dat bij de interpretatie en toepassing van bepaalde artikelen in concrete situaties zoals deze, getoetst moet aan het provinciale beleid.

3.2.3 Grondgebondenheid

In de verordening wordt ruimte geboden voor ontwikkeling van grondgebonden agrarische bedrijven. Een geitenhouderij bedrijf wordt in de verordening niet per definitie aangemerkt als zijnde grondgebonden. De definitie van een grondgebonden veehouderij in de verordening is anders dan in de geldende beheersverordening.

In de geldende beheersverordening wordt een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering gedefinieerd als een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt, waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf.

De huidige definitie van grondgebondenheid binnen de gemeente en zoals die bij dit nieuwe bestemmingsplan is gehanteerd, komt overeen met die uit de verordening;

- een veehouderij is in ieder geval grondgebonden wanneer het minimaal voldoet aan één of meerdere van de volgende voorwaarden:

  • het voor het vee benodigde ruwvoer is voor tenminste de helft afkomstig van de bij het bedrijf behorende landbouwgrond èn de dierlijke mest kan voor tenminste de helft op/voor bij het bedrijf behorende landbouwgrond worden afgezet/benut.
  • het bedrijf heeft een veebezetting van ca. 3 grootvee-eenheden (GVE) of minder per hectare gras en voedergewassen.

Onder de bij het bedrijf behorende landbouwgrond wordt verstaan landbouwgrond in de directe omgeving van het bedrijf waar het bedrijf structureel, bij voorkeur op basis van eigendom of langdurige pacht, over kan beschikken. In de regel is 20 km een afstand waarbinnen een agrarisch bedrijf nog adequaat de bijbehorende grond kan verzorgen en benutten, en daarop toezicht kan uitoefenen.

Ruwvoer en Mest

De ondernemers hebben in de directe omgeving van het bedrijf 25 ha grond in gebruik. Hiervan is 20 ha in eigendom en wordt 5 ha gepacht. Op de onderstaande afbeeldingen is deze situatie te zien. Bovenste twee afbeeldingen zijn de gronden die in eigendom zijn en direct grenzen aan het bedrijf, de huiskavel. De onderste afbeelding zijn de gepachte gronden aan de Menno van Koehoornweg. Deze gronden zijn gelegen op een afstand van ca. 650 meter van het bedrijf.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01_0006.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01_0008.png"

Afbeeldingen: Gronden in gebruik t.b.v. het bedrijf. (Bron: Boer & Bunder)

Het ruwvoer wordt voor een deel gewonnen van de eigen gronden en voor een deel aangevoerd. De mest wordt voor een deel aangewend op eigen grond en een voor een deel afgevoerd.

De voerleverancier van het bedrijf heeft een berekening van de ruwvoerbehoefte en mestafzet gemaakt voor de totale gewenste situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01_0009.png"

Afbeelding: ruwvoerbehoefte en mestafzet in huidige en gewenste situatie

Voor de totale ruwvoerbehoefte is 47,17 ha nodig en voor stikstof en fosfaat respectievelijk 36,36 en 46,26 hectare. Met de 25 hectare grond die het bedrijf nu ter beschikking heeft kan worden voorzien in meer dan helft van de ruwvoerbehoefte en kan meer dan de helft van de mest worden afgezet op eigen grond.

Om deze grondgebondenheid kracht bij te zetten wordt door de maatschap weidegang toegepast. De geiten worden in het voorjaar en zomer geweid op de huiskavel van het bedrijf. Daarnaast willen de ondernemers graag meer grond onder het bedrijf krijgen om beter in eigen behoeften te kunnen voorzien.

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het bedrijf aan tenminste één van de voorwaarden van een grondgebonden bedrijf voldoet.

3.2.4 Landschappelijke inpassing

Bij een vergroting van het bouwvlak boven de 1,5 ha. wil de provincie de landschappelijke inpassing via de Nije Pleats methode toegepast zien. Voor kleinschalige perceel verruiming kan door de gemeente zelf de integrale advisering en onderbouwing organiseren.

De oppervlakte van het gewenste bouwvlak bedraagt inclusief beplanting ca. 1,27 ha. Dit kan worden beschouwd als een kleine perceel verruiming. De gemeente heeft er voor gekozen om een landschapsplan te vragen bij de onderbouwing van de landschappelijke inpassing. Bureau Stad&Land is door de initiatiefnemer ingeschakeld als expert om de toekomstige landschappelijke inpassing vorm te geven. Deze landschappelijke inpassing is in een vroeg stadium ter beoordeling bij de gemeente neergelegd. De door de gemeente gemaakte opmerkingen zijn in de definitieve landschappelijk inpassingsplan verwerkt. Voor het totale inpassingsplan wordt verwezen naar Bijlage 2 bij deze toelichting. Tevens is deze verwerkt in de planregels.

Gelet op het bovenstaande wordt met de beoogde ontwikkeling voldaan aan provinciaal beleid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01_0010.png"

Afbeelding: fragment landschappelijke inpassing (Bron: Buro Stad & Land)

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Beheersverordening

Voor de betreffende gronden geldt de beheersverordening Buitengebied Zuid West 2017.

De bestemming staat toe dat gebouwen ten behoeve van één agrarisch bedrijf worden gebouwd binnen de gronden met de aanduiding "bouwperceel". De gewenste jongveestal en kuilplaat worden buiten deze aanduiding gerealiseerd. De toekomstig te realiseren berging zal ook buiten deze aanduiding vallen. Tevens voldoet de specifieke bouwvorm van de serrestal niet aan de regels van de beheersverordening.

De toekomstige indeling van het erf is gericht op een optimale bedrijfsvoering qua logisitiek en onderkomen van de dieren. De serrestal is inmiddels een beproefd concept voor de maatschap en voldoet uitstekend.

Door een bouwvorm te hanteren die gelijk is aan de bestaande serrestal ontstaat er één bebouwingsensemble op het perceel. In de huidige situatie is het bouwperceel omgeven met beplanting. Middels een landschappelijk inpassingsplan voor de toekomstige situatie is de impact van de te bouwen jongveestal en overige ontwikkelingen op de omgeving zeer beperkt en zal de serrestal nauwelijks te zien zijn vanaf het openbaar gebied. De sloop van de bestaande verouderde gebouwen in combinatie met de landschappelijke inpassing zorgen er voor dat de ruimtelijke kwaliteit van het perceel sterk verbetert wordt. Op deze manier wordt er voldaan aan de uitgangspunten voor het beleid aangaande serrestallen in de gemeente.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Bedrijven en milieuzonering

Ten behoeve van een passende afstand rond bedrijven en instellingen ten opzichte van gevoelige functies is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) het systeem ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2012) ontwikkeld in de vorm van een bedrijvenlijst, waarin de bedrijven en instellingen zijn gecategoriseerd op hun milieueffecten.

Op basis van de bedrijvenlijst moet voor een melkgeitenhouderij (met uitzondering van geur, zie paragraaf 4.2) een minimale afstand van 50 meter worden aangehouden. In de huidige situatie wordt aan deze afstand voldaan. In de nabije omgeving zijn geen burgerwoningen aanwezig.

4.2 Geur

Het toetsingkader voor het aspect geur volgt uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dan wel het Activiteitenbesluit milieubeheer. In de Regeling geurhinder een veehouderij die volgt uit de Wgv is een geuremissiefactor vastgesteld voor geiten. De gemeente de Fryske Marren heeft alleen een geurverordening vastgesteld voor dieren zonder geuremissiefactor. Dit betekent dat de veehouderij een (individuele) geurbelasting mag veroorzaken van:

  • 2 OU/m3 op een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom
  • 8 OU/m3 op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom

Uitzondering hierop is de afstand van het dichstbijzijnde emissiepunt tot de bedrijfswoning van een andere veehouderij. Hier gelden de volgende afstandseisen voor:

  • Gevel bedrijfswoning buiten bebouwde kom- emissiepunt dichstbijzijnde stal: 50 meter
  • Gevel bedrijfswoning binnen bebouwde kom - emissiepunt dichtstbijzijnde stal: 100 meter

Naast bovenstaande eisen m.b.t. geur moet worden voldaan aan de volgende afstandseisen:

  • Gevel woningen van derden binnen de bebouwde kom - gevel dichtstbijzijnde stal : 25 meter
  • Gevel woningen van derden buiten de bebouwde kom - emissiepunt dichtstbijzijnde stal : 50 meter

Er kan tevens geurhinder onstaan door opslag van mest en veevoer op het bedrijf. Hiervoor gelden de afstandscriteria die volgen uit het Activiteitenbesluit (artikel 3.46).

  • 100 meter afstand tot een geurgevoelig object dat binnen de bebouwde kom is gelegen, of
  • 50 meter afstand tot een geurgevoelig object dat buiten de bebouwde kom is gelegen.

Onderzoek

Ten zuiden van het bedrijf ligt een camping met een bedrijfswoning en ten oosten is een woning gesitueerd aan de J. Hornstraweg 7. Beide zijn gelegen buiten de bebouwde kom. Er is op deze punten getoetst om te kunnen bepalen of hier sprake blijft van een aanvaardbaar woon en leefklimaat bij de maximale invulling van het plan. Voor beide toetspunten geldt een maximale geurbelasting op de gevel van de van 8 OU/m3. Met behulp van het programma V-stacks is de geurbelasting op dit punt berekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01_0011.png"

De uitkomst van de V-stacks berekening van de totale gewenste situatie laat zien dat de geurbelasting 2,5 en 0,6 OU/m3 is. Er vindt geen overschrijding plaats van de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten in de omgeving van het bedrijf. Binnen het bestemmingplan wordt geen mogelijkheid geboden om te groeien in aantal stuks vee ten opzichte van de Natuurbeschermingswetvergunning. Dit wordt beperkt door de stikstofregels. Een beoordeling van het aspect geur op de toekomstige ontwikkelingen, anders dan genoemd in hoofdstuk 1, is hier niet van toepassing. In de nabije omgeving zijn ook geen concrete ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op dit plan. Verder maakt het plan geen nieuw geurgevoelig gebruik mogelijk. Het toetsen van nieuw gebruik als geurgevoelig gebruik is niet aan de orde.

De kortste afstand tussen de bestaande stallen en de gevels van woningen van derden bedraagt 340 meter (bedrijfswoning camping). De nieuwe jongveestal en andere gebouwen waar dieren kunnen worden gehouden voldoen aan de afstandseisen voor geur. Dit geldt ook voor de te realiseren kuilvoeropslag en vaste mestopslag. De afstand tussen grens bouwvlak en het dichtstbijzijnde geurgevoelige object is groter dan de minimale afstand die hiervoor geldt.

Cumulatie

Aangenomen wordt dat een veehouderij op een afstand van meer dan 1 kilometer geen relevante bijdrage heeft aan de cumulatieve geurbelasting. Voor geurgevoelige objecten die op meer dan 1 kilometer van het plangebied liggen draagt het voornemen dus niet bij aan de cumulatieve geurbelasting. Voor de berekening van de cumulatieve geurbelasting van objecten die binnen 1 kilometer van het plangebied liggen, moet rekening worden gehouden met alle bijdragen van veehouderijen binnen 1 kilometer van dat object. Daaruit volgt dat enkel veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer rond het plangebied relevant zijn voor de beoordeling van cumulatieve geurhinder

Naast de geurhinder die zou kunnen optreden vanwege de geitenhouderij aan de Lytse Jerden 2 (voorgrondbelasting) is ook gekeken of de voorgenomen uitbreiding van de veehouderij kan leiden tot cumulatie van geurhinder bij geurgevoelige objecten in de omgeving van het plangebied.

De bestaande achtergrondwaarde voor geur van veehouderijen is nihil omdat in de omgeving van het plangebied (binnen 2 kilometer) geen andere veehouderijen aanwezig zijn waar dieren worden gehouden met een geuremissiefactor. Dit betekent dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de geurbelasting in de omgeving (binnen 1 kilometer) van de geitenhouderij en cumulatie van geurhinder niet relevant is voor de beoordeling van het plan.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande kan het bestemmingsplan op het gebied van geur uitvoerbaar worden geacht.

4.3 Bodem

Ten behoeve van de vaststelling van dit bestemmingsplan is beoordeeld of:

  • 1. de activiteiten die het plan mogelijk maakt een risico vormen voor de bodemkwaliteit en;
  • 2. de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik.

Ad 1:

Het plan maakt het mogelijk om binnen het plangebied agrarische activiteiten uit te voeren. Binnen het bouwvlak mogen dierenverblijven worden opgericht en mag mest en veevoer worden opgeslagen. Tevens worden op kleine schaal stoffen opgeslagen, zoals dieselolie, die een risico vormen voor de bodemkwaliteit. In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn voor deze activiteiten voorschriften ter bescherming van de bodem opgenomen. De ondernemer is verplicht de voorgeschreven maatregelen toe te passen. Hiermee is het risico op bodemverontreiniging te verwaarlozen.

Het plangebied is niet gelegen in of nabij een bodembeschermingsgebied. Er zijn geen bijzondere beschermingsregels van toepassing.

Ad 2:

In het voorliggende bestemmingplan wordt het bouwvlak vergroot ten opzichte van het vigerende bestemmingplan. De bestemming van de gronden blijft 'Agrarisch'. Binnen het bouwvlak mogen bouwwerken ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering worden opgericht, waaronder stallen en een bedrijfswoning.

Op de locatie heeft geen onderzoek naar de kwaliteit van de bodem plaatsgevonden. Daartoe is ook geen aanleiding. De locatie is steeds in gebruik geweest als veehouderij, eerst als melkveehouderij, daarna als melkgeitenhouderij. Er zijn geen feiten bekend die wijzen op een mogelijk geval van bodemverontreiniging. De gronden die worden toegevoegd aan het bouwvlak zijn nu en in het verleden in gebruik als weidegrond. Er is daarom geen reden om te veronderstellen dat de kwaliteit van de bodem onvoldoende is voor het beoogde gebruik als agrarisch bedrijf.

4.4 Geluid 

De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer, door spoorwegverkeer, en/of door inrichtingen (industrielawaai) het milieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder. De wet stelt dat in principe de geluidbelasting op de gevel van gevoelige objecten niet hoger mag zijn dan de maximaal toelaatbare geluidsbelasting, dan wel een, door het college vast te stellen, nader bepaalde waarde (hogere waarde). Voor het vaststellen van een nader bepaalde waarde zijn plafondwaarden vastgelegd in de Wet geluidhinder.

Het onderhavige plan voorziet in de realisatie van bedrijfsgebouwen ten behoeve van het agrarisch bedrijf van de ondernemers. Er worden geen mogelijkheden gecreëerd voor het toevoegen van geluidgevoelig objecten en/of terreinen. Het bestemmingsplan veroorzaakt dan ook geen conflicten met de Wgh en kan op dit punt uitvoerbaar worden geacht.

Er wordt in dit geval geen nieuw geluidgevoelig gebruik mogelijk gemaakt. het toetsen van het nieuwe gebruik als geluidgevoelig gebruik is niet aan de orde.

Door gewenste ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen van en naar het bedrijf niet toenemen. Voer etc. kan met dezelfde vrachtwagen worden aangevoerd. Het aantal bewegingen op het terrein zal voornamelijk een andere route volgen. Gelet op de afstand tot geluidgevoelige objecten in de omgeving van het bedrijf kan dit effect als nihil worden beschouwd.

Gezien het bovenstaande hoeft het bedrijf geen maatregelen te treffen om maatregelen te treffen op het gebied van geluid. Het aspect geluid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.5 Luchtkwaliteit  

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

Op grond van de Wet mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de normen (grenswaarden) die aan een aantal verontreinigende stoffen zijn gesteld.

Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening gehouden worden met het gestelde in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen.

Bij ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de grenswaarden uit de Wet Milieubeheer. Als de bijdrage "niet in betekende mate" (NIBM) is, hoeft niet aan de grenswaarden te worden getoetst.

In het kader van de voorgenomen ontwikkelingen is de emissie van fijn stof van belang. De grenswaarden voor fijn stof zijn als volgt vastgelegd (bijlage 2 bij de Wet Milieubeheer):

  • Jaargemiddelde concentratie: 40 µg/m3.
  • Daggemiddelde concentratie: 50 µg/m3.
  • Aantal toegestane overschrijdingen van daggemiddelde: maximaal 35 keer.

Fijnstof

De concentratie PM10 in de directe omgeving is berekend met het verspreidingsmodel ISL3a. De berekening is uitgevoerd voor locaties of gebieden waar mensen langere tijd verblijven, zoals woningen in de directe omgeving. Hierbij is rekening gehouden met de achtergrondconcentraties in het gebied. De uitvoer van de berekening is opgenomen als bijlage.

De bijdrage van de geitenhouderij (na uitbreiding) is maximaal 16.40 µg/m3. De concentratie fijn stof voldoet daarmee ruimschoots aan de grenswaarde van 40 µg/m3 en draagt niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit op locaties in de omgeving waar regelmatig mensen verblijven.

Het aantal dagen dat de etmaalwaarde van 50 µg/m3 wordt overschreden in de gewenste situatie is maximaal 6 dagen. Dit is ruim beneden de wettelijke grenswaarde van 35 overschrijdingsdagen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01_0012.png"

Tabel: uitkomsten ISL3a PM10 berekening.

Zeer fijnstof

Op grond van de grootschalige concentratie kaart Nederland is de bestaande achtergrondconcentratie zeer fijn stof (PM2,5) 8.263µg/m3. De bijdrage van de geitenouderij aan de concentratie PM10 is al minimaal. De bijdrage PM2,5 is daar een fractie van en is daarom te verwaarlozen ten opzichte van de achtergrondconcentratie. De concentratie zeer fijn stof voldoet ruimschoots aan de grenswaarde van 25 µg/m3.

Met dit bestemmingplan wordt geen nieuw luchtkwaliteit gevoelig gebruik mogelijk gemaakt. Het toetsen van nieuw luchtkwaliteit gevoelig gebruik kan achterwege blijven.

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is geen borging van extra maatregelen nodig en vormt dit geen belemmeringen voor het uitvoeren van de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Risico's volksgezondheid

4.6.1 Algemeen

De laatste tijd is veel onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke gezondheidseffecten van veehouderijen. Meest actueel is het VGO-onderzoek (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden). Het VGO-onderzoek is uitgevoerd in veerijke gebieden in Noord-Brabant en Limburg. Doel van het onderzoek was om meer duidelijkheid te verkrijgen over mogelijke gezondheidseffecten van de veehouderij op de gezondheid van omwonenden, vooral infectieziekten en luchtwegaandoeningen in relatie tot luchtverontreiniging (zoals fijnstof en endotoxinen). Er zijn meerjarige gegevens gebruikt van huisartsen van circa 110.000 patiënten in de regio. Daarnaast is een vragenlijst ingevuld door 12.000 mensen. Bijna 2500 mensen hebben meegedaan aan medisch onderzoek (bloed, ontlasting, longfunctie). De conclusies van het onderzoek zijn hieronder samengevat

  • Het onderzoek bevestigt eerdere bevindingen dat astma en neusallergieën significant minder voorkomen bij mensen die op korte afstand wonen van veehouderijen.
  • Dicht bij veehouderijen wonen minder mensen met COPD, een chronische ziekte aan de longen. COPD-patiënten die dichtbij of in de buurt van één of meer veehouderijen wonen, hebben een verhoogd risico op complicaties van hun ziekte.
  • Er komen aanwijzingen naar voren dat het wonen in de buurt van veehouderijen een nadelig effect heeft op de longfunctie. De verlaging van de longfunctie wordt gevonden bij mensen die veel veehouderijen in hun omgeving hebben (15 of meer bedrijven binnen een kilometer afstand van een woning). Dit hangt vooral samen met het aantal veehouderijen rond de woning en hangt niet duidelijk samen met specifieke veehouderijtypen. Het meest waarschijnlijk is dat de longfunctieveranderingen samenhangen met de blootstelling aan stof en endotoxinen direct rond de veehouderijbedrijven.
  • Een verhoogde concentratie ammoniak in de lucht, afkomstig van de veehouderij, laat een verband zien met de afname van de longfunctie. Waarschijnlijk is het niet het ammoniak zelf dat dit effect veroorzaakt, maar fijnstofdeeltjes die worden gevormd doordat ammoniak met andere stoffen in de lucht reageert. Deze deeltjes verplaatsen zich over grote afstand waardoor de effecten zich mogelijk ook in een groter gebied kunnen voordoen. De effecten van ammoniakblootstelling en veehouderijen zijn in omvang vergelijkbaar met de negatieve gezondheidseffecten die in stedelijke populaties worden gevonden als gevolg van verkeersblootstelling.
  • In de huisartsengegevens is een relatie te zien tussen het wonen in de buurt van een pluimveehouderij en longontsteking (pneumonie) voor de jaren 2009-2013. Een verhoging van het risico op een longontsteking wordt gevonden voor omwonenden die binnen een straal van één kilometer van pluimveebedrijven wonen. In een nadere studie is deze conclusie bevestigd en beter onderbouwd. Het gaat gemiddeld om ongeveer 119 extra patiënten met longontsteking per jaar per 100.000 mensen in het onderzoeksgebied.
  • Er zijn sterke aanwijzingen dat fijnstof en componenten ervan mensen gevoeliger maken voor infecties. Maar specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen op dit moment niet worden uitgesloten.
  • Ook rondom geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking. In het VGO-onderzoek uit 2016 zijn hiervoor al aanwijzingen gevonden. In een nadere analyse3 zijn die nader onderbouwd over een langere periode. De onderzoekers zien deze toename over alle jaren van 2007 tot en met 2013, dus ook na de Q koortsepidemie, die van 2007 tot en met 2010 plaatsvond. Het aantal extra gevallen van longontsteking in het onderzoeksgebied dat kan worden toegeschreven aan de aanwezigheid van geitenbedrijven is gemiddeld over de jaren 2009-2013 ongeveer 89 patiënten per 100.000 mensen per jaar. Dat komt neer op ongeveer 5,4% extra patiënten. De Q koortsepidemie heeft waarschijnlijk tijdens de vroege jaren bijgedragen aan het verhoogde aantal longontstekingen. Het is echter geen verklaring van het verhoogde risico vanaf 2011. Wat deze toename wel veroorzaakt, is nog onduidelijk.
  • In het onderzoek is ook gekeken of bepaalde zoönoseverwekkers vaker voorkomen in de omgeving van veehouderijen, ten opzichte van de rest van het land. Bij het hepatitis E-virus, de bacterie Clostridium difficile en ESBL-producerende bacteriën is dat niet het geval. Wel lijken mensen iets vaker drager te zijn van de veegerelateerde-MRSA bacterie, maar deze verhoging is niet statistisch significant.

Het VGO-onderzoek is uitgevoerd in het oostelijk deel van de provincie Noord Brabant en het noorden van Limburg. Dit is een gebied waar zeer veel intensieve veehouderijen aanwezig zijn, vooral pluimvee- en varkenshouderijen waar zeer veel dieren op een kleine oppervlakte aanwezig zijn. In andere delen van Nederland is de dichtheid aan varkens en kippen lager. Het onderzoeksgebied overlapt ook met het gebied waar in 2007-2010 een Q-koortsepidemie was waarvan de effecten nog zichtbaar zijn. De resultaten van het VGO-onderzoek hoeven daarom niet representatief te zijn voor heel Nederland.

4.6.2 Omgeving

Het geitenhouderijbedrijf van de familie Veldman is gelegen in het buitengebied van de gemeente de Fryske Marren. Dit is een relatief dunbevolkt gebied. In de omgeving is een camping gevestigd, een solitaire burgerwoning en langs de Menno van Coehoornweg verspreid diverse woningen en bedrijven. De dichtstbij gelegen woningen van derden ligt op circa 400 meter van de inrichting, dit is de bedrijfswoning van de camping. Het verblijfsterrein van de camping ligt op ca. 350 meter en de meer geconcentreerde woonbebouwing is aanwezig langs de Menno van Coehoornweg, op circa 700 meter ten westen van de inrichting. Zoals gezegd zijn er binnen een straal van 2 kilometer van de inrichting geen andere (intensieve) veehouderijen aanwezig.

Naast aspecten geur, fijnstof, geluid en cumulatie die in de vorige paragraven zijn belicht, zijn er nog een aantal risicofactoren aanwezig die relevant zijn voor de geitenhouderij en dit project in het bijzonder.

4.6.3 Endotoxinen

Endotoxinen zijn ontstekingsbevorderende celwandresten van gramnegatieve bacteriën. De luchtwegen van mensen zijn daar gevoelig voor. Het is algemeen aanvaard dat blootstelling aan endotoxinen negatieve gezondheidseffecten heeft. Het is bekend dat celwandresten aanwezig zijn in de stallucht en zich via de lucht kunnen verspreiden. Endotoxinen hechten zich aan stofdeeltjes, zowel aan het fijn stof (PM10) als aan de grovere deeltjes.

De Gezondheidsraad ziet endotoxine als een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Dit inzicht was voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m3 te adviseren.

De kans op overschrijding van de advieswaarde voor endotoxinen is het grootst bij pluimveebedrijven. Uit het endotoxine-onderzoek blijkt dat tot 500 meter rond individuele pluimveebedrijven een overschrijding van de advieswaarde van 30 EU/m3 mogelijk is. Dit is verklaarbaar aangezien door de strooiselhuisvesting de emissie van fijn stof en grovere stofdeeltjes uit pluimveestallen hoog is. Bij varkensbedrijven zijn de wettelijke normen voor geur en fijnstof doorgaans zodanig beperkend dat een overschrijding van de endotoxine advieswaarde niet snel optreedt. Bij andere veehouderijsectoren (zoals melkveehouderij) zal rond individuele bedrijven de advieswaarde niet worden overschreden. Deze veebedrijven, vooral varkenshouderijen, kunnen in veedichte gebieden wel bijdragen aan cumulatie van de concentratie endotoxinen.

Uit de endotoxine onderzoeken blijkt dat de fijnstofemissie van geitenstallen laag is en dat het endotoxinegehalte in dat stof ook laag is. Rond individuele geitenbedrijven zal dan ook geen overschrijding van de advieswaarde voor endotoxinen optreden. Ook is de bijdrage van geitenbedrijven aan cumulatie beperkt. Zoals bij het onderdeel geur is aangegeven zijn er in een straal van twee kilometer rondom het bedrijf geen intensieve agrarische bedrijven aanwezig. Het cumulerend effect is hier nihil.

4.6.4 Zoönosen / Q-koorts

Infectieziekten die overdraagbaar zijn van dier op mens worden zoönosen genoemd. Er zijn zeer veel verschillende zoönosen die variëren in symptomen, ernst, besmettingsroute en voorkomen. Voorbeelden zijn ziekten als vogelgriep (H5N1) of Q-koorts. Zoönosen kunnen veroorzaakt worden door micro-organismen zoals bacteriën, virussen, protozoën, parasieten en schimmels. In de directe omgeving van intensieve veehouderijen kan de concentratie micro-organismen iets verhoogd zijn ten opzichte van de achtergrondconcentratie.

Infectieziekten kunnen ook van mensen op dieren worden overgedragen, dan worden ze antropozoönosen genoemd. Via bacteriën kan resistentie tegen antibiotica worden overgebracht van dier op mensen en andersom.

Mensen kunnen op verschillende manieren worden besmet. Een belangrijke route is voedsel. Ook oppervlaktewater kan besmet zijn met ziekteverwekkers van dierlijke oorsprong. Afhankelijk van de ziekteverwekker kunnen mensen ook via de lucht, door direct contact met dieren of dierlijk materiaal (bijvoorbeeld koeienmest of kattenontlasting) of via vectoren, zoals teken of insecten, blootgesteld worden en geïnfecteerd raken. Daarbij moet worden opgemerkt dat het aantal mensen dat een infectie oploopt van een dier vele malen lager is dan mensen die een infectieziekte oplopen van andere mensen.

In Nederland is de veehouderij een potentiële bron van zoönoseverwekkers. In een veehouderij waar veel dieren aanwezig zijn kunnen ziekteverwekkers zich gemakkelijk handhaven, maar door adequate managementmaatregelen op het veehouderijbedrijf wordt dit risico teruggedrongen. Voorbeelden van dergelijke maatregelen zijn: goede hygiëne, het scheiden van leeftijdsgroepen van dieren of een bedrijfsvoering waarbij geen dieren hoeven te worden aangekocht (gesloten bedrijf). 

Naast besmetting via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong, kan de besmetting van mensen door landbouwhuisdieren optreden via direct contact met de dieren of mest, via vectoren (zoals teken of insecten) of via de lucht. Op veehouderijen zonder zorg- of publieksfunctie komen doorgaans relatief weinig bezoekers en hebben vooral werknemers contact met de dieren. Omwonenden van veehouderijen kunnen ook besmet raken over grotere afstand via de lucht, maar dat is voor slechts een klein aantal zoönosen waargenomen.

Een bekend voorbeeld van een zoönose in Nederland is Q-koorts, een ziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Coxiella burnetii die van geiten en schapen op mensen kan worden overgedragen. In de periode 2007-2010 zijn in Oost-Brabant en Limburg circa 4.000 mensen ziek geworden als gevolg van een Q-koortsuitbraak rond geitenhouderijen.
In 2015 werden nog maar 24 patiënten met Q-koorts gemeld. Dit aantal is vergelijkbaar met 2013 en 2014, toen er respectievelijk 19 en 28 patiënten zijn gemeld en komen overeen met de aantallen van voor de Q-koortsuitbraak. 

Geitenhouderijen zijn verplicht de geiten te vaccineren tegen Q-koorts. Tevens worden bedrijven met geiten intensief gemonitord. Uit de monitoring is gebleken dat er op dit moment geen met Q-koorts besmette melkgeiten- of schapenbedrijven meer zijn in Nederland. De kans op besmetting van mensen met Q-koorts door geitenhouderijen is daardoor nihil. Voor de geitenhouderij zijn geen andere zoönosen bekend met een verhoogd risico op besmetting voor omwonenden.

Beoordeling

Dit bestemmingsplan voorziet onder andere in de bouw van een nieuwe jongveestal en een toename van het aantal dieren. Op de projectlocatie is nu al een geitenhouderij aanwezig. Het project wordt uitgevoerd in een gebied met een lage bevolkingsdichtheid. Woningen en verblijfsterreinen liggen ver bij het bedrijf vandaan. Het dichtstbij gelegen verblijfsterrein ligt op 350 meter en de dichtstbij gelegen woning ligt op circa 400 meter van de stallen.

Uit de in dit hoofdstuk uitgevoerde beoordeling volgt dat de potentiële risico's van de geitenhouderij voor de volksgezondheid vooral Q-koorts betreffen. Andere effecten zoals geluidhinder, fijn stof en endotoxinen vormen in dit geval geen relevant risico voor de volksgezondheid en voldoen ruim aan de wettelijke toetsingskaders.

Geiten kunnen besmet raken met Q-koorts. Een uitbraak van deze zoönose vormt een risico voor mensen die in de omgeving van geiten- en schapenhouderijen wonen. De ondernemers vaccineren geiten tegen Q-koorts. Tevens wordt het bedrijf intensief gemonitord. Uit de monitoring is gebleken dat er op dit moment geen met Q-koorts besmette melkgeiten- of schapenbedrijven meer zijn in Nederland. De kans op besmetting van mensen met Q-koorts door geitenhouderijen is door deze maatregelen nihil.

Toekomstige ontwikkelingen

Een toekomstige uitbreiding die mogelijk wordt gemaakt met het bestemmingsplan voorziet niet in een toename van het aantal dieren zoals ook is aangegeven bij het aspect geur. De maximale situatie qua dieren die mogelijk wordt gemaakt met dit bestemmingsplan is getoetst. Met betrekking tot volksgezondheid behoeft hier dan ook geen aandacht aan besteedt te worden. Dit geldt ook voor nieuw milieu gevoelig gebruik. Ook hier worden geen mogelijkheden voor geboden in het bestemmingsplan.

4.7 Externe veiligheid

In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is vastgelegd dat er rekening wordt gehouden met de invloed van de risicovolle inrichtingen en/of transportroutes op geplande gevoelige objecten. Er wordt voorkomen dat zich (beperkt) kwetsbare objecten binnen de 10-6 risicocontour van risicovolle inrichtingen/transportroutesbevinden.afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01_0013.png"Figuur: uitsnede risicokaart

Na raadpleging van de risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat er binnen en in de directe omgeving, een straal van circa 355 meter, van het projectgebied geen inrichtingen aanwezig zijn die een belemmering zouden kunnen opleveren voor de beoogde ontwikkeling. Ook is er geen sprake van transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (via weg, water, spoor en/of buisleidingen (Besluit externe veiligheid buisleidingen) in de directe omgeving. Tevens wordt met de uitbreiding geen nieuw gebruik mogelijk gemaakt welke externe veiligheidsrisico's veroorzaakt.

4.8 Lichthinder

Duisternis hoort samen met onder andere rust en ruimte tot een van de kern-kwaliteiten van het buitengebied. Het beleid is er op gericht om verstoring van lichtgevoelige functies (zoals natuur en wonen) terug te dringen. Het criterium verlichtingsniveau tijdens avond- en nachturen gaat ervan uit dat in de afweging rekening wordt gehouden met lichthinder die kan worden veroorzaakt door (agrarische) bedrijvigheid. Voor wat betreft lichthinder zijn geen strikte normen met afstandsbepalingen bekend. Thans bekende regel- en wetgeving is uitsluitend gericht op lichtbronnen. Gesteld mag worden dat het verlichtings-niveau tijdens avond- en nachturen van een aanvaardbaar niveau is indien voldaan wordt aan de algemene richtlijnen zoals die door de Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde (NSVV) worden voorgeschreven.

4.9 Water

In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

4.9.1 Wateradvies

Voor het onderhavige initiatief is de digitale watertoets doorlopen. Op het plan is de normale watertoesprocedure van toepassing vanwege de ligging van een regionale waterkering, een hoofdwatergang en het graven en dempen van watergangen. In het kader hiervan heeft het wetterskip heeft een wateradvies opgesteld. Dit is bijgevoegd als Bijlage 3 bij dit plan.

Veilig

Het plangebied grenst aan een regionale waterkering. Het is niet toegestaan om in de beschermingszone van deze regionale waterkering beplanting aan te brengen. Met de begrenzing van het plangebied wordt rekening gehouden met de beschermingszone van de regionale waterkering. Op deze manier kan er niet gebouwd worden of beplanting worden aangeplant binnen deze zone.

Voldoende

De oostzijde van het plangebied grenst aan een hoofdwatergang. Bij de inrichting van het plangebied dient rekening gehouden te worden met de bereikbaarheid van de hoofdwatergang voor beheer en onderhoud. Hiervoor moet een zone van 5 meter obstakelvrij worden gehouden. Het plangebied houdt rekening met de zone van 5 meter. De gronden binnen deze zone blijven zo obstakel vrij voor beheer en onderhoud.

De te dempen watergang achter de bestaande bomenrij zal worden gecompenseerd door een nieuw te graven sloot achter de nieuw te planten boomwal. Dit in combinatie met de 280m2 die gecompenseerd moet worden door de toename van het verhard oppervlak. De nieuw te graven sloot wordt in het plangebied mogelijk gemaakt.

Schoon

De ondernemers treffen maatregelen om er voor te zorgen dat er geen milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen.

Vervolg

Voor het dempen en graven van de sloot wordt een watervergunning aangevraagd. In combinatie met bovenstaande punten wordt voldaan aan de punten uit het wateradvies van het Wetterskip Fryslân.

4.10 Natuurbescherming

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de (mogelijke) natuurwaarden. Om dit inzichtelijk te maken is een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd door Natuurbank Overijssel (zie bijlage)

4.10.1 Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden. Deze wet vormt de implementatie van (onder meer) de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn, aangevuld met beschermingsregels die zien op de beschermde natuurmonumenten. Naast deze gebieden is er de (Provinciale) Ecologische Hoofdstructuur (EHS) die in het kader van de gebiedsbescherming van belang is.

Natura 2000

Op 18 maart 2016 is door de provincie Fryslân een Natuurbeschermingswetvergunning verleend. De vergunde aantallen komen overeen met de gewenste situatie. Gelet op de relatief grote afstand van het bedrijf tot de Natura 2000-gebieden zijn de effecten op Vogelrichtlijnsoorten en Habitatrichtlijnsoorten waarvoor de gebied mede zijn aangewezen op voorhand uitgesloten. In deze vergunning is opgenomen dat het project geen significante negatieve effecten heeft op beschermde natuurwaarden.

Planologische Ecologische Hoofdstructuur

Het plangebied behoort niet tot het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen Ecologische hoofdstructuur en in Friesland Planologische Ecologische hoofdstructuur). De dichtstbijzijnde gronden behorende bij de NNN liggen op ca. 300 meter. De invloedssfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal waardoor er geen negatief effect optreedt op het Nationaal Natuurnetwerk (NNN). In dit kader hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden of ontheffing aangevraagd te worden.

Het plangebied behoort niet tot het Nationaal Natuurnetwerk of Natura 2000-gebied. Vanwege de lokale invloedssfeer heeft de voorgenomen activiteit geen effect op deze gebieden. Er is geen nader onderzoek nodig.

4.10.2 Soortenbescherming

Het plangebied behoort tot het functionele leefgebied van sommige grondgebonden zoogdier-, vogelamfibieën-en vleermuissoorten. Andere beschermde soorten zijn tijdens het veldonderzoek niet vastgesteld en het plangebied wordt als een ongeschikt functioneel leefgebied voor andere beschermde soorten beschouwd.

Mogelijk nestelen er ieder voortplantingsseizoen vogels in het plangebied. Van deze vogelsoorten zijn uitsluitend de bezette nesten beschermd, niet de oude nesten of de nestplaatsen. Voor het verstoren/vernielen van bezette nesten (eieren) en het verwonden/doden van vogels kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd wettelijk belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten, zoals het rooien van beplanting en het slopen van bebouwing, dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden.

Mogelijk benutten sommige amfibieën- en vleermuissoorten het plangebied als foerageergebied, maar deze soorten bezetten er geen vaste rust- of voortplantingslocaties. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden deze soorten niet verwond of gedood. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van de Wnb. Voor de grondgebonden zoogdiersoorten die een vaste rust- of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen (vangen, doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van de vaste voortplantings- en rustplaatsen). De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties.

Conclusie

Mits bezette vogelnesten beschermd worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming of de Verordening Romte Frylân. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de Wnb aangevraagd te worden. De Wet natuurbescherming en de Verordening Romte Frylân vormen geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van deze quickscan heeft initiatiefnemer voldaan aan Artikel 1.11 (zorgplicht) van de Wnb.

4.11 Cultuurhistorie en archeologie

Vanaf 1 januari 2012 dient met de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening te worden ingegaan op de relatie van het ruimtelijk voornemen en de aanwezige cultuurhistorische waarden. Naast de cultuurhistorische waarde dient er rekening te worden gehouden met de archeologische (verwachtings)waarde van een gebied. In 2007 is de Wet archeologische monumentenzorg in werking getreden. De wet zorgt er voor dat het archeologisch erfgoed in de bodem wordt beschermd in het ruimtelijke ordeningsbeleid.

4.11.1 Cultuurhistorie

Om de cultuurhisorische waarde(n) van de locatie in beeld te brengen is gebruik gemaakt van de Cultuuhistorische Kaart Fryslân.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01_0014.png"

Afbeelding: uitsnede cultuurhistorische kaart Fryslân

Voor dit gebied s de 'Opstrekkende verkaveling, grootschalige regelmaat' van toepassing. Deze verkaveling wordt opstrekkend genoemd als de lengterichting dominant is in de percelering en bovendien sprake is van een grote lengte - breedte verhouding. Dit type is aanwezig in de Wouden en het 'Lage Midden' met het merengebied.

Het voornemen zal het verkavelingspatroon niet aantasten. Voor het aspect cultuurhistorie kan het initiatief passend worden geacht.

4.11.2 Archeologie

Om de archeologische waarden van het plangebied te kunnen bepalen is Archeologische Kaart (FAMKE) van de provincie Fryslân geraadpleegd.

Er zijn een tweetal advieskaarten die moeten worden geraadpleegd. Een kaart voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.) en een kaart voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. 1500 n Chr.)

Uit de FAMKE kaart voor de periode ijzertijd - middeleeuwen blijkt dat het gebied wordt aangemerkt met "Karterend onderzoek 3 (middeleeuwen)".

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01_0015.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01_0016.png"

Afbeelding: Uitsnede Archeologische Kaart (FAMKE) ijzertijd - middeleeuwen

Bij dit gebied wordt door de provincie de volgende beschrijving gegeven: "In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. Het gaat hier dan met name om vroeg en vol-middeleeuwese veenontginningen. Daarbij bestaat de kans dat er zich terpjes uit deze tijd in het plangebied bevinden Ook de wat oudere boerderijen kunnen archeologische sporen of resten afdekken, hoewel de veengronden eromheen al afgegraven zijn. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer 5000m2 een historisch en karterend onderzoek te verrichten, waarbij speciale aan speciale aandacht moet worden besteed aan eventuele Romeinse sporen en/of vroeg-middeleeuwse ontginningen. Mochten er, als gevolg van het karterend archeologisch onderzoek, een of meerdere vindplaatsen worden aangetroffen, dan zal uit nader (waarderend) onderzoek moeten blijken hoe waardevol deze vindplaatsen zijn. De aard van dit waarderend (vervolg)onderzoek hangt af van het type aangetroffen vindplaats, en de strategie van onderzoek dient te worden bepaald door het desbetreffende onderzoeksbureau. Indien de vindplaats een nieuw aangetroffen terp betreft, geldt het advies: ‘waarderend onderzoek op terpen'. De resultaten van het karterend onderzoek kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is, of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden. Mocht het plangebied een bebouwde kom betreffen, dan dient in de onderzoeksstrategie rekening te worden gehouden met recente verstoringen die zich kunnen hebben voorgedaan".

Op de FAMKE kaart voor de periode steentijd - bronstijd heeft het gebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01_0017.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01_0018.png"

In deze gebieden kunnen zich archeologische resten uit de steentijd vlak onder de oppervlakte bevinden, die zijn afgedekt door een dun veen- of kleidek. De conservering van eventueel aanwezige resten in nu nog goed, maar de archeologische resten zijn wel zeer kwetsbaar. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 500m² een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren, waarbij minimaal twaalf boringen per hectare worden gezet, met een minimum van twaalf boringen voor gebieden kleiner dan een hectare. De resultaten van een dergelijk karterend booronderzoek kunnen inzicht geven in de aanwezigheid van dekzandkopjes of -ruggen, waarop zich archeologisch resten kunnen bevinden. Het booronderzoek dient zich vooral te richten op het microreliëf van het zand onder het veen- of kleidek. Mochten zich in de gebieden dekzandkoppen of -ruggen bevinden, dan beveelt de provincie aan een waarderend onderzoek te laten verrichten op de gevonden koppen (zie advies ‘waarderend onderzoek - kopjes'). De resultaten kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is, of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden.

Het plangebied heeft een oppervlakte van meer dan 500m². Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken is daarom een karterend (boor) onderzoek uitgevoerd (zie bijlage).

Conclusie

De conclusie van het onderzoek is dat er op basis van de resultaten van het gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek geen aanwijzing zijn om restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. Het volledige onderzoek is bijgevoegd als bijlage 5 bij deze toelichting.

4.12 Milieueffectrapport

De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPWIJ17LYTSEJERDN2-VA01_0019.png"

Afbeelding: Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r.  (Bron: www.Infomil.nl)

Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.-beoordeling nodig is.

In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, dan moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen.

Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is vormvrij: de wet schrijft geen procedure voor. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.-beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden.

Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bij-lage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld.

Doel vormvrije m.e.r-beoordeling

Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van de voorgenomen activiteit aan het bevoegd gezag. Er wordt in een vorm-vrije m.e.r.-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Criteria voor toetsing

In het voorliggend rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde project (aanleg/uitbreiding van een bedrijventerrein) ingegaan, waarbij, conform artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r., ingezoomd wordt op de volgende onderdelen:

  • kenmerken van de activiteit;
  • plaats waar de activiteit wordt verricht;
  • kenmerken van de gevolgen van de activiteit.

Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.

4.12.1 Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in de integrale afweging te geven. De verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapport kan op verschillende wijze ontstaan.

  • Indien een activiteit behoort tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is omschreven in de aangegeven gevallen.
  • Indien uit een mer-beoordeling volgt dat een milieueffectrapport nodig is. Een mer-beoordelingsplicht bestaat:
    • 1. indien een activiteit behoort tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is omschreven in de aangegeven gevallen;
    • 2. indien een passende beoordeling moet worden gemaakt op basis van de Wet natuurbescherming. Dit is het geval als niet uitgesloten kan worden dat er significant negatieve effecten op de instandhoudingdoelstellingen van (nabij gelegen) natura 2000-gebieden ontstaan.

Voor activiteiten die onder de drempelwaarden van de aangegeven gevallen van onderdeel D blijven moet worden gemotiveerd dat een milieueffectrapport niet nodig is. Deze motivering heet een vormvrije (mer)beoordeling.

4.12.2 Toets

Onderdeel C

Het plan voorziet niet in een activiteit die behoort tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is omschreven.

Deze toets leidt niet tot een plicht om een milieueffectrapport op te stellen.

Onderdeel D

Het plan voorziet wel in een activiteit die behoort tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is omschreven. Om deze reden is een m.e.r. beoordeling aan de gemeente voorgelegd.

Het college van B&W heeft op 13 april 2018 besloten dat er geen milieueffectrapportag nodig is. Het besluit is bijgevoegd als bijlage 7

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Algemeen 

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn eventuele aanlegregels, uitwerkingsregels, nadere eisen, ontheffing- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen.

5.2 Juridische vormgeving

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012. Voor de inhoudelijke systematiek is aangesloten op het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied voormalige gemeente Skarsterlân 2016.

Hieronder wordt de opbouw en dergelijke kort toegelicht.

5.2.1 Inleidende regels

Conform SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen en de wijze van meten.

5.2.2 Bestemmingsregels

In het hoofdstuk bestemmingsregels zijn in de planregels alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. Hieronder worden de gehanteerde bestemmingen kort toegelicht.

Artikel 3 "Agrarisch"

De gronden zijn primair bestemd voor het grondgebonden agrarisch gebruik. Binnen deze bestemming is de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, al dan niet in combinatie met een ondergeschikte tweede tak (nevenactiviteit) in de vorm van intensieve veehouderij, of ondergeschikte detailhandel, mogelijk ter plaatse van het bouwvlak. Deze nevenactiviteit is begrensd op 120m2. Ongelimiteerde vestigings- of uitbreidingsmogelijkheden kunnen tot zeer ingrijpende wijzigingen van het ruimtelijk beeld in het buitengebied leiden. Een vaste maat biedt zowel helderheid voor de gemeente als voor de agrariër.

Door middel van de bouwregels wordt geregeld dat uitsluitend gebouwen ten behoeve van agrarische bedrijven worden gebouwd. Deze gebouwen zullen uitsluitend binnen het, middels een aanduiding op de kaart aangegeven bouwvlak, moeten worden gebouwd. De bouwregels zijn specifiek opgesteld om de realisatie van de serrestal mogelijk te maken.

5.2.3 Algemene regels

Bij de bestemming aanvullende regels opgenomen met betrekking tot bouwen. Daarnaast bevat dit hoofdstuk algemene gebruiksregels en afwijkingsregels.

5.2.4 Overgangsrecht en slotregels

In artikel 3.2.1 Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Bij de uitvoering van een voornemen kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Bij de eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Bij het tweede gaat het erom hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen.

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De kosten voor de realisatie van de plannen komen voor rekening van de initiatiefnemer. Er zijn geen gemeentelijke kosten aan het plan verbonden. Een exploitatieplan kan daarom achterwege blijven.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerp bestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode heeft een ieder de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Ook wordt het ontwerp bestemmingsplan verzonden naar diverse overleginstanties. Na de ontwerp-fase zal beoordeeld worden of het plan vastgesteld kan worden.

Het ontwerp bestemmingsplan heeft van 15 mei 2018 tot en met 25 juni 2018 ter inzage gelegen. Tijdens deze inzagetermijn is er één zienswijze ingediend door de GGD Fryslân. Brandweer Fryslân heeft in een formele reactie aangegeven geen opmerkingen te hebben. Verder zijn er nog een aantal tekstuele correcties meegenomen in de besluitvorming.

De ingediende zienswijze is beantwoord in de Nota van zienswijzen. Deze Nota is bijgevoegd als bijlage 8 bij de toelichting. De zienswijze heeft geen aanleiding gegeven voor aanpassing van het bestemmingsplan. De tekstuele correcties die zijn doorgevoerd zijn de volgende:

Toelichting

  • § 1.3: Tekst is aangepast naar van toepassing zijnde beheersverordening. Dit geldt ook voor de overeenkomstige verwijzingen in de toelichting;
  • § 4.6: Rijksweg en Vaartweg is aangepast naar Menno van Coehoornweg;
  • § 4.12: Tekst onder afbeelding is aangepast;
  • Bijlage 7: De betreffende Mer-beoordelingsnotitie is bijgevoegd bij deze bijlage;
  • § 3.2.4. en § 5.2.2: Daar waar bouwperceel is gehanteerd is dit gewijzigd in de term bouwvlak.

Regels

  • § 3.4.3 en § 3.5.2: Daar waar bouwperceel is gehanteerd is dit gewijzigd in de term bouwvlak.
  • § 3.4.3: daar waar een verwijzing wordt gemaakt naar § 3.2.2, sub b, is dit aangepast naar § 3.2.2, sub a.

Dit vastgestelde bestemmingsplan zal 6 weken ter visie worden gelegd. Belanghebbenden kunnen beroep indienen bij de Raad van State.

Bijlagen

Bijlage 1: Vergunning Wet natuurbescherming

Bijlage 2: Landschappelijke inpassing

Bijlage 3: Wateradvies

Bijlage 4: Quickscan Natuurwaardenonderzoek

Bijlage 5: Archeologisch vooronderzoek

Bijlage 6: Principebesluit gemeente

Bijlage 7: MER beoordelingsbeslissing

Bijlage 8: Nota van zienswijzen

Bijlage 9: Raadsvoorstel en besluit